De pads en de TRIGGER IN-aansluitingen configureren (PAD/TRIGGER IN)
- Selecteer [MENU] Ó “SYSTEM”.
- Gebruik de cursorknoppen [à] [á] [ã] [â] om “PAD/TRIG IN” te selecteren en druk op de [ENTER]-knop.
- Het PAD/TRIG IN-scherm verschijnt.
- Gebruik de [F1]–[F3]- en [F6]-knoppen om tussen instellingenschermen te schakelen.

Knop
Uitleg
[F1] (PARAM)
Hieronder vindt u de parameters voor het configureren van de padgevoeligheid en de TRIGGER IN-aansluitingsinstellingen.
[F2] (HI-HAT)
Configureert de hi-hatinstellingen.
[F3] (MONITOR)
Bewaakt de snelheid.
[F6] (DrumLink)
Configureert DrumLink.
Dit kan alleen worden ingesteld als de DrumLink-hub is aangesloten.
- Gebruik de cursorknoppen [à] [á] om een parameter te selecteren en gebruik vervolgens de [-] [+]-knoppen om de instelling te wijzigen.
PARAM
Hieronder vindt u de parameters voor het configureren van de padgevoeligheid en de TRIGGER IN-aansluitingsinstellingen.
Parameter | Waarde | Uitleg |
|---|---|---|
Input Mode | Wanneer een pad op dit apparaat is geselecteerd: --- Als TRIG 1–8 is geselecteerd: HEAD&RIM, TRIGx2 | Stel dit in om één drumtrigger aan te sluiten op één TRIGGER IN-aansluiting (HEAD&RIM), of twee drumtriggers (TRIGx2). |
Trig Type | Wanneer een pad op dit apparaat is geselecteerd: --- Wanneer TRIG 1–8 is geselecteerd:KD-A22, KD-22, KD-222, KD-20, KD-200, KD-18, KD-180L, KD-140, KD-12, KD-120, KD-85, KD-10, KD-9, KD-8, KD-7, KDQ-8, KT-10, KT-9, PDA120, PDA120L, PDA100, PDA100L, PDA140F, PD-12X, PD-12P, PD-128, PD-125X, PD-125, PD-10X, PD-10P, PD-108, PD-105X, PD-105, PD-85, PDX-100, PDX-12, PD-10H, PD-8H, PDX-8, PDX-6, PD-8, PDQ-8S, PDQ-8, VH11, VH10, CY-16-RT, CY-15R, CY-14R-T, CY-14C-T, CY-14C, CY-13R, CY-12C-T, CY-12C, CY-12R/C, CY-8, CY-5, CYQ-12, BT-1, BT-1 SENS, PAD1, PAD2, PAD3, RT-30K, RT-30HR, RT-30H SN, RT-30H TM, RT-10K, RT-10S, RT-10T | Hiermee kunt u het drumtriggermodel (triggertype) bepalen dat is aangesloten op elke triggerinvoer. MEMO Wanneer u een triggertype instelt, worden de triggerparameters, behalve bepaalde parameters (zoals Crosstalk Cancel), ingesteld op de aanbevolen waarden die bedoeld zijn voor gebruik op het podium. (De “Threshold”-waarde op de SPD-SX PRO is hoger ingesteld dan normaal.) Deze waarden zijn slechts algemene richtlijnen. U kunt zo nodig de instellingen verfijnen, afhankelijk van hoe u de drumtriggers bevestigt en de manier waarop ze zullen worden gebruikt. |
Sensitivity | 1.0–32.0 | Gebruik dit om de gevoeligheid van de pads aan te passen, evenals de balans tussen hoe hard u op de pads slaat en het volume van het geproduceerde geluid. Het verhogen van deze waarde doet de gevoeligheid toenemen, zodat zelfs zachte aanslagen op de pad het geluid op hogere volumes spelen. Het verlagen van deze waarde doet de gevoeligheid afnemen, zodat zelfs sterke slagen op de pad het geluid op lagere volumes spelen. |
Rim Gain (*1) | 0–3.2 | Past de balans aan tussen de kracht waarmee de rim of rand wordt aangeslagen en de luidheid van het geluid. Het verhogen van deze waarde zorgt ervoor dat zelfs zachte slagen op de rand aan een hoog volume worden gespeeld. Deze waarde verlagen zorgt ervoor dat zelfs sterke slagen op de rand aan een laag volume weerklinken. Dit is alleen beschikbaar voor pads die rimshots ondersteunen. |
Threshold | 0–31 | Minimale gevoeligheid van de pads Deze instelling bepaalt dat er alleen maar een triggersignaal wordt ontvangen als de pad zich boven een bepaald dynamisch krachtniveau (snelheid) bevindt. U kunt dit gebruiken om te verhinderen dat een pad weerklinkt als gevolg van trillingen van andere pads. In het volgende voorbeeld zal het signaal van B weerklinken, maar A en C niet. Controleer dit door de waarde geleidelijk te verhogen terwijl u de pad bespeelt. Verlaag deze waarde iets wanneer een zachte slag op de pad geen geluid produceert. Herhaal dit om de ideale instelling te verkrijgen. |
Curve | Volumeverandering als reactie op de slagkracht van de pad | |
LINEAR | Dit is de standaardinstelling. Dit zorgt voor de meest natuurlijke balans tussen speeldynamiek en volumeverandering. | |
EXP1, EXP2 | Een sterke dynamiek zorgt voor grotere volumeveranderingen in vergelijking met de “LINEAR”-instelling. | |
LOG1, LOG2 | Zacht spelen zorgt voor grotere volumeveranderingen in vergelijking met de “LINEAR”-instelling. | |
SPLINE | Extreme veranderingen als respons op uw speeldynamiek. | |
LOUD1, LOUD2 | Zeer weinig dynamische respons, waardoor het gemakkelijker wordt om een hoog volumeniveau aan te houden. Als u een drumtrigger als een externe pad gebruikt, produceren deze instellingen een betrouwbare triggering. | |
Head/Rim Adjust (*1) (*2) | 0–80 | Deze instelling specificeert hoe gemakkelijk het is om een headshot of rimshot te spelen. Verhoog deze waarde als het randgeluid weerklinkt wanneer u hard op het bovenvel slaat. Verlaag deze waarde als het bovenvelgeluid weerklinkt wanneer u een open rimshot speelt. Verlaag deze waarde als het bovenvelgeluid weerklinkt wanneer u zacht een rimshot speelt. MEMO Als het rimshotgeluid hoorbaar is wanneer u een headshot speelt of als u een headshotgeluid hoort wanneer u een rimshot speelt, breng dan kleine wijzigingen aan in de Head/Rim Adjust-waarden terwijl u de resultaten blijft uitproberen. Grote veranderingen in de waarden zorgen ervoor dat het verkeerde geluid te horen is wanneer u op de pad slaat, bijvoorbeeld door het rimshotgeluid te produceren wanneer u een headshot speelt. |
Scan Time (*1) | 0–4.0 ms | Triggersignaaldetectietijd Omdat de stijgingstijd van de wavevorm van het triggersignaal lichtjes kan verschillen naargelang de eigenschappen van elke pad of akoestische drumtrigger (drumelement), is het mogelijk dat er bij identieke slagen (slagsnelheid) een verschillend geluidsvolume wordt geproduceerd. Als dit het geval is, kunt u “Scan Time” zodanig instellen dat uw speelstijl nauwkeuriger wordt gedetecteerd. Verhoog, terwijl u herhaaldelijk en met gelijke kracht op de pad slaat, de waarde voor Scan Time geleidelijk vanaf 0 msec totdat het resulterende volume zich op het hoogste volumeniveau stabiliseert. Probeer met deze instelling zowel zachte als harde slagen, en controleer of het volume correct verandert.
|
Mask Time (*1) | 0–64 ms | Dubbele triggering voorkomen Als u een kicktrigger speelt, kan de klopper terugkaatsen en het bovenvel onmiddellijk na de bedoelde noot een tweede keer raken. Bij akoestische drums blijft de klopper soms tegen het bovenvel, wat ervoor zorgt dat een enkele slag “dubbel triggert” (twee geluiden produceert in plaats van één). Met de “Mask Time”-instelling kunt u dit voorkomen. Wanneer een pad wordt geraakt, worden alle bijkomende triggersignalen gedurende de opgegeven maskeertijd genegeerd. Pas de waarde voor Mask Time aan terwijl u de pad bespeelt. Gebruik een kicktrigger en laat de klopper terugkaatsen en het bovenvel snel raken, en verhoog vervolgens de waarde voor Mask Time totdat er geen geluid meer wordt geproduceerd door het terugkaatsen van de klopper. Het verhogen van deze waarde vergroot de kans dat snel achter elkaar gespeelde noten wegvallen. Stel deze waarde zo laag mogelijk in. MEMO Pas “Retrigger Cancel” aan als er twee of meer geluiden worden geproduceerd als u het bovenvel slechts één keer raakt. |
Retrigger Cancel (*1) | 1–16 | Detectie van decaytriggersignaal Als u op een snaredrum enz. slaat waarop een in de handel verkrijgbare drumtrigger is aangesloten, kan het gebeuren dat de wavevorm misvormd is. Hierdoor treedt onbedoeld een andere trigger op in punt A in de volgende afbeelding (retriggering). Dit komt vooral voor in de uitsterfrand van de wavevorm. Retrigger Cancel detecteert dergelijke vervorming en voorkomt dat er retriggering optreedt. Verhoog, terwijl u herhaaldelijk op de pad slaat, de waarde voor “Retrigger Cancel” totdat er geen retriggering meer optreedt. Hoewel een hoge waarde voor deze instelling retriggering voorkomt, worden geluiden ook makkelijker weggelaten als u herhaaldelijk snel de pad aanslaat. Stel deze waarde zo laag mogelijk in terwijl u er nog steeds voor zorgt dat er geen retriggering optreedt. MEMO U kunt dubbele triggering ook voorkomen door de Mask Time-instelling aan te passen. Mask Time detecteert geen triggersignalen in de opgegeven tijdsspanne na ontvangst van het vorige triggersignaal. Met Retrigger Cancel wordt de decay van het triggersignaalniveau gedetecteerd, en wordt het geluid getriggerd nadat er intern werd bepaald welke triggersignalen werden gegenereerd bij het aanslaan van het bovenvel. Tegelijk worden de overige valse triggersignalen weggefilterd, die geen geluid zouden mogen triggeren. |
Ext Noise Cancel (*1) (*2) | OFF, 1–5 | Met deze instelling kunt u voorkomen dat een drum onbedoeld wordt getriggerd (door gebruik te maken van ruisonderdrukking) wanneer u op een andere drum slaat die geen drumtrigger heeft, of wanneer omgevingsgeluiden of trillingen worden opgevangen. Deze Noise Cancel-functie (ruisonderdrukking) kan worden gebruikt als u een stereokabel gebruikt om een RT-30K- of RT-30HR-drumtrigger aan te sluiten op de volgende TRIGGER IN-aansluitingen en het Trig Type specificeert.
|
XTalk Cancel (*1) | 0–80 % | Sterkte van crosstalkonderdrukking Als twee pads op dezelfde standaard zijn bevestigd, kan de trilling van een aangeslagen pad ervoor zorgen dat de andere pad onbedoeld weerklinkt. Dit wordt “crosstalk” genoemd. Crosstalkonderdrukking is een instelling die dit type crosstalk voorkomt. Als pad B bijvoorbeeld onbedoeld weerklinkt wanneer u op pad A slaat, verhoogt u de waarde van XTalk Cancel (Cross Talk Cancel) van pad B totdat er geen crosstalk meer optreedt. Als deze waarde sterk wordt verhoogd en pad A en pad B tegelijkertijd worden aangeslagen, heeft de pad die met minder kracht wordt aangeslagen de neiging weg te vallen. Stel deze waarde in op de laagst mogelijke waarde waarbij crosstalk niet meer optreedt. MEMO Voordat u crosstalkonderdrukking instelt, kunt u crosstalk voorkomen door de pads zo te plaatsen dat ze minder gevoelig zijn voor trillingen van buitenaf. Let bij het instellen van uw systeem op de volgende punten.
OPMERKING In sommige gevallen kan het akoestische geluid van een akoestische drum of van een monitorluidspreker ervoor zorgen dat een pad wordt getriggerd. In dergelijke gevallen lost het aanpassen van de instellingen voor crosstalkonderdrukking het probleem niet op. Neem de volgende overwegingen in acht bij het opstellen van uw apparatuur.
|
- Alleen voor TRIG IN 1–8.
- Dit kan niet worden ingesteld voor sommige Trig Type-instellingen die zijn geselecteerd (het display toont in dit geval “---”).
HI-HAT
Configureert de hi-hatinstellingen.
Als u de VH-reeks hebt toegewezen aan een TRIGGER IN, verschijnt het bericht “Adjust the offset with the offset adjustment screw”.
Parameter | Waarde | Uitleg |
|---|---|---|
Pedal Mode | HH-CTRL, EXP-CTRL | Schakelt tussen functies voor de HH CTRL/EXPRESSION-aansluiting. HH CTRL en EXPRESSION kunnen niet tegelijkertijd worden gebruikt. |
Hi-Hat Open/Close Border | 0–127 | Stelt de pedaalpositie in die wordt gebruikt om te schakelen tussen de open en gesloten geluiden voor pads waarvan het “Layer Type” is ingesteld op “HI-HAT”. |
CC Max | 90, 127 | Stelt de besturingswijzigingswaarde in die wordt verzonden als het hi-hatpedaal volledig wordt ingedrukt. |
MONITOR
Bewaakt de snelheid.
Als u een pad aanslaat, wordt de invoersterkte in de grafiek weergegeven.
DrumLink – HUB
Parameter | Waarde | Uitleg |
|---|---|---|
RF Channels Selection | Automatic, Manual | Selecteert of het kanaal dat wordt gebruikt voor draadloze communicatie tussen de DH-10/DrumLink™-hub en de pads automatisch (Automatic) of handmatig (Manual) moeten worden ingesteld. |
Main Ch. Ack Ch. | 1 (2402 MHz), 2 (2423 MHz), 3 (2426 MHz), 4 (2448 MHz), 5 (2451 MHz), 6 (2474 MHz), 7 (2477 MHz), 8 (2480 MHz) | Stelt het kanaal in dat wordt gebruikt wanneer RF Channels Selection is ingesteld op “Manual”. De Main Ch. is het kanaal dat wordt gebruikt voor de richting van de pad van de DH-10/DrumLink™-hub Ó en de Ack Ch. is het kanaal dat wordt gebruikt voor de richting van de pad van de ÓDH-10/DrumLink™-hub. In situaties waarin u bijvoorbeeld een andere DH-10/DrumLink™-hub in de buurt gebruikt, kunt u interferentie voorkomen door elk apparaat op een ander kanaal in te stellen.
|
Scan on Start-up | OFF, ON | Als RF Channels Selection is ingesteld op “Automatic”, selecteert dit of de kanalen automatisch moeten worden gescand (ON) of niet (OFF) wanneer de DH-10/DrumLink™-hub wordt gestart. |
Disable RF Alerts | OFF, ON | In het geval van radiostoring selecteert dit of er waarschuwingsberichten op het scherm moeten worden weergegeven (OFF) of niet (ON). |
MIDI Output | Soft Only, Hub Only, Soft+Hub | Stelt de connector in die wordt gebruikt voor de DH-10. Soft Only: gebruikt alleen USB. Hub Only: gebruikt alleen MIDI OUT. Soft+Hub: gebruikt zowel USB als MIDI OUT.
|
Send Note Off | OFF, ON | Wanneer MIDI OUT op de DH-10 wordt gebruikt, bepaalt dit of Note Off-gegevens moeten worden uitgevoerd of niet. |
- De waarden, afgezien van die van de “Assign”-parameter, worden opgeslagen in de WT-10 , niet op de SPD-SX PRO. Deze parameters worden niet opgeslagen als u de BACKUP ALL-bewerking op de SPD-SX PRO uitvoert.
TRIGGER BASIC, CURVE, OPTIONS/ADVANCED
Parameter | Waarde | Uitleg |
|---|---|---|
DrumLink - TRIGGER BASIC-tabblad | ||
Assign | N/A, P1(PAD1)– P9 (PAD9), TRIG IN 1/2, TRIG IN 3/4, TRIG IN 5/6, TRIG IN 7/8, TRIG IN 1– TRIG IN 8 | Hier leest u hoe u de triggeringang instelt waaraan de aangesloten pad moet worden toegewezen. Als dit is ingesteld op TRIG IN 1/2, TRIG IN 3/4, TRIG IN 5/6 of TRIG IN 7/8, zorgt het spelen van het vel (boog) ervoor dat de oneven genummerde pads spelen en het spelen van de rim (rand) of de bel zorgt ervoor dat de even genummerde pads spelen. Als dit is ingesteld op P1 (PAD1)–P9 (PAD9) of TRIG IN 1–TRIG IN 8, wordt de geselecteerde triggeringang afgespeeld, ongeacht waar u het vel (boog), de rim (rand) of de bel raakt. |
Sensitivity | 1–16 | Gebruik dit om de gevoeligheid van de pads aan te passen, evenals de balans tussen hoe hard u op de pads slaat en het volume van het geproduceerde geluid.
|
Threshold | 1–15 | Past de minimumgevoeligheid van de pads aan.
|
Retrigger | 0–15 | Past de dempingdetectie voor het triggersignaal aan. De pad kan per ongeluk meerdere keren opnieuw worden getriggerd, ook al hebt u maar één keer op de pad geslagen. Dit wordt veroorzaakt door schommelingen in het triggersignaal dat wordt verzonden als u op een pad slaat. Gebruik deze parameter om dit soort retriggering als gevolg van schommelingen in het triggersignaal te voorkomen. Hoewel een hoge waarde voor deze instelling retriggering voorkomt, worden geluiden ook makkelijker weggelaten als u herhaaldelijk snel de pad aanslaat. Stel deze waarde zo laag mogelijk in terwijl u er nog steeds voor zorgt dat er geen retriggering optreedt. |
Scan Time | 2.0–5.0 | Verfijnt de detectietijd van het triggersignaal. Omdat de stijgtijd van de wavevorm van het triggersignaal enigszins verschilt afhankelijk van de kenmerken van elke pad, kunnen de geproduceerde geluiden in volume variëren, zelfs als u aan dezelfde snelheid op de pad slaat. Als dit het geval is, kunt u de triggersignaaldetectietijd (Scan Time) zodanig instellen dat uw speelsterkte nauwkeuriger wordt gedetecteerd.
|
Mask Time | 0–70 | Dit voorkomt dubbele triggering. Als u bijvoorbeeld de kickdrum speelt, kan de klopper terugkaatsen en het bovenvel onmiddellijk na de bedoelde noot een tweede keer raken, wat ervoor zorgt dat een enkele slag “dubbel triggert” (twee geluiden produceert in plaats van één). Met de “Mask Time”-instelling kunt u dit voorkomen. Wanneer een pad wordt geraakt, worden alle bijkomende triggersignalen gedurende de opgegeven maskeertijd genegeerd. Het verhogen van deze waarde vergroot de kans dat snel achter elkaar gespeelde noten wegvallen. Stel deze waarde zo laag mogelijk in. |
DrumLink - TRIGGER CURVE-tabblad | ||
Curve | USER, LINEAR, LOG1, LOG1, LOG3, POW1, POW2, POW3, EXP1, EXP2, EXP3 | Past aan hoe het volume verandert als reactie op hoe hard u de pad aanslaat. U kunt op de SPD-SX PRO instellingen selecteren die worden aangepast via DWe Control (USER) en uit meerdere voorinstellingen (LINEAR–EXP3).
|
Dynamic Range | 0–100 | Past het bereik van de dynamiek aan waarmee u de pads aanslaat. Het verhogen van deze waarde vernauwt het bereik, zodat zelfs zachte aanslagen op de pad aan een hoog volume weerklinken. Dit is handig voor het maken van gedetailleerde aanpassingen op basis van uw speeltechniek, nadat u de padgevoeligheid hebt aangepast met de Sensitivity-parameter. |
DrumLink - TRIGGER OPTIONS/ADVANCED-tabblad | ||
Instellingen die voor alle pads gelden | ||
LED On Hit | OFF, ON | Stelt in of de in de WT-10 ingebouwde LED oplicht als u de pad aanslaat. |
KD-serie | ||
XTalk Cancel | OFF, 1–80 | Past de gevoeligheid van crosstalk aan. Crosstalk is een functie die voorkomt dat een pad per ongeluk wordt geactiveerd als gevolg van de trillingen van andere pads. Als bijvoorbeeld twee pads op dezelfde drumstandaard zijn gemonteerd, kunnen de trillingen wanneer u op de ene pad slaat ervoor zorgen dat de andere pad onbedoeld klinkt. Door deze waarde te verhogen, voorkomt u dat de pad wordt geactiveerd door de trillingen van andere pads. Als u de waarde echter te hoog instelt, kunnen sommige geluiden uitvallen wanneer u tegelijkertijd op de ene pad en de andere slaat. |
PD-serie | ||
Rim Gain | 0.0–3.2 | Past de balans aan tussen hoe hard u op de rand slaat en de daaruit voortvloeiende snelheidswaarde. Als u deze waarde verhoogt, spelen zachtere aanslagen op de rand het geluid op een hogere snelheid. Als u deze waarde verlaagt, spelen sterkere aanslagen op de rand het geluid op een lagere snelheid. |
Rimshot/Head | 0.0–15.5 | Past het crossoverpunt aan tussen de bovenvelzone van de snaredrum en de rimshotzone. Verhoog deze waarde als de rimshot zelfs speelt als u op het bovenvel slaat. Verlaag deze waarde als het geluid van het bovenvel zelfs hoorbaar is wanneer u een rimshot speelt.
|
XTalk Cancel | OFF, 1–80 | Past de gevoeligheid van crosstalk aan. Crosstalk is een functie die voorkomt dat een pad per ongeluk wordt geactiveerd als gevolg van de trillingen van andere pads. Als bijvoorbeeld twee pads op dezelfde drumstandaard zijn gemonteerd, kunnen de trillingen wanneer u op de ene pad slaat ervoor zorgen dat de andere pad onbedoeld klinkt. Door deze waarde te verhogen, voorkomt u dat de pad wordt geactiveerd door de trillingen van andere pads. Als u de waarde echter te hoog instelt, kunnen sommige geluiden uitvallen wanneer u tegelijkertijd op de ene pad en de andere slaat. |
VH-serie | ||
Edge Gain | 0.0–3.2 | Past de balans aan tussen hoe hard u op de rand slaat en de daaruit voortvloeiende snelheidswaarde. Als u deze waarde verhoogt, spelen zachtere aanslagen op de rand het geluid op een hogere snelheid. Als u deze waarde verlaagt, spelen sterkere aanslagen op de rand het geluid op een lagere snelheid. |
CC Max | 90, 127 | Stelt de waarde van de bedieningswijziging (CC) in die wordt verzonden als u het hi-hatpedaal volledig indrukt.
|
Open Pedal Tune | -7–0–+7 | Stelt de CC-waarde in die wordt gebruikt wanneer de hi-hat wordt geopend. Als de CC-waarde niet daalt tot nul wanneer het pedaal wordt losgelaten, kunt u dit doen door dit te wijzigen in een negatieve waarde.
|
Closed Pedal Tune | -7–0–+7 | Stelt het bereik in tussen de open en gesloten positie van de hi-hat. Kleinere waarden resulteren in een hogere gesloten positie, waardoor u de hi-hat met minder kracht kunt sluiten. Hogere waarden zorgen ervoor dat de hi-hat alleen sluit als u het pedaal met grotere kracht indrukt.
|
XTalk Cancel | OFF, 1–80 | Past de gevoeligheid van crosstalk aan. Crosstalk is een functie die voorkomt dat een pad per ongeluk wordt geactiveerd als gevolg van de trillingen van andere pads. Als bijvoorbeeld twee pads op dezelfde drumstandaard zijn gemonteerd, kunnen de trillingen wanneer u op de ene pad slaat ervoor zorgen dat de andere pad onbedoeld klinkt. Door deze waarde te verhogen, voorkomt u dat de pad wordt geactiveerd door de trillingen van andere pads. Als u de waarde echter te hoog instelt, kunnen sommige geluiden uitvallen wanneer u tegelijkertijd op de ene pad en de andere slaat. |
CY-serie | ||
Positional Sensing | OFF, ON | Schakelt positionele detectie (die detecteert waar de pad is geraakt) in/uit.
|
Edge Gain | 0.0–3.2 | Past de balans aan tussen hoe hard u op de rand slaat en de daaruit voortvloeiende snelheidswaarde. Als u deze waarde verhoogt, spelen zachtere aanslagen op de rand het geluid op een hogere snelheid. Als u deze waarde verlaagt, spelen sterkere aanslagen op de rand het geluid op een lagere snelheid. |
XTalk Cancel | OFF, 1–80 | Past de gevoeligheid van crosstalk aan. Crosstalk is een functie die voorkomt dat een pad per ongeluk wordt geactiveerd als gevolg van de trillingen van andere pads. Als bijvoorbeeld twee pads op dezelfde drumstandaard zijn gemonteerd, kunnen de trillingen wanneer u op de ene pad slaat ervoor zorgen dat de andere pad onbedoeld klinkt. Door deze waarde te verhogen, voorkomt u dat de pad wordt geactiveerd door de trillingen van andere pads. Als u de waarde echter te hoog instelt, kunnen sommige geluiden uitvallen wanneer u tegelijkertijd op de ene pad en de andere slaat. |
RT-serie | ||
Rim Gain | 0.0–3.2 | Past de balans aan tussen hoe hard u op de rand slaat en de daaruit voortvloeiende snelheidswaarde. Als u deze waarde verhoogt, spelen zachtere aanslagen op de rand het geluid op een hogere snelheid. Als u deze waarde verlaagt, spelen sterkere aanslagen op de rand het geluid op een lagere snelheid. |
Rimshot/Head | 0.0–15.5 | Past het crossoverpunt aan tussen de bovenvelzone van de snaredrum en de rimshotzone. Verhoog deze waarde als de rimshot zelfs speelt als u op het bovenvel slaat. Verlaag deze waarde als het geluid van het bovenvel zelfs hoorbaar is wanneer u een rimshot speelt.
|
Ext Noise Cancel | 0–5 | Dit voorkomt dat een drum onbedoeld wordt geactiveerd door het geluid van het aanslaan van een andere drum zonder drumtrigger, of door extern geluid of trillingen (ruisonderdrukking). |
XTalk Cancel | OFF, 1–80 | Past de gevoeligheid van crosstalk aan. Crosstalk is een functie die voorkomt dat een pad per ongeluk wordt geactiveerd als gevolg van de trillingen van andere pads. Als bijvoorbeeld twee pads op dezelfde drumstandaard zijn gemonteerd, kunnen de trillingen wanneer u op de ene pad slaat ervoor zorgen dat de andere pad onbedoeld klinkt. Door deze waarde te verhogen, voorkomt u dat de pad wordt geactiveerd door de trillingen van andere pads. Als u de waarde echter te hoog instelt, kunnen sommige geluiden uitvallen wanneer u tegelijkertijd op de ene pad en de andere slaat. |
INPUT CONFIGURATION
Parameter | Waarde | Uitleg |
|---|---|---|
HI-HAT | OFF | De invoer van de PAD2-aansluiting van de WT-10 wordt niet herkend als het HH CTRL-signaal. |
ON | Als de triggerinvoertoewijzing is ingesteld op iets anders dan “N/A”, wordt de invoer van de PAD2-aansluiting van de WT-10 herkend als het HH CTRL-signaal.
Ø “De triggeringang toewijzen voor de pad die is aangesloten op de WT-10” | |
2 Zone | Deze parameter kan worden gebruikt bij het instellen van een pad voor de PAD1-aansluiting van de WT-10 die het spelen van bellshots ondersteunt, zoals de CY-16R-T.
| |
OFF | Als de triggerinvoertoewijzing is ingesteld op iets anders dan “N/A”, wordt de invoer van de PAD2-aansluiting herkend als een belsignaal voor de PAD1-aansluiting. Als u dit doet, wordt de Curve-parameter toegepast die is ingesteld voor BELL (DrumLink - TRIGGER CURVE-tabblad). Merk op dat op de SPD-SX PRO u geen ander geluid kunt afspelen dan de bow/edge wanneer u op de bel slaat. Met het voorbeeld zoals weergegeven op dit scherm, speelt het P1 (PAD1)-geluid af, ongeacht waar u speelt op de CY-16R-T, dus de boog, de rand of de bel. Ø “De triggeringang toewijzen voor de pad die is aangesloten op de WT-10” | |
ON | U kunt voor de PAD2-aansluiting de gewenste pad instellen, zelfs wanneer u voor de PAD1-aansluiting een ride-pad zoals de CY-16R-T instelt (de invoer via de PAD2-aansluiting wordt niet herkend als een belsignaal voor de PAD1-aansluiting). | |