PH-1

De PH-1 produceert een mild phasergeluid met een volledige respons van de lage tonen. Met de vaardige techniek kunt u een reeks muzikale klanken kiezen met een eenvoudige interface met twee regelaars.

 

Pagina

Parameter

Waarde

Uitleg

1

RATE

0–100, BPM

Past aan hoe snel de phaser verandert.

  • Als dit is ingesteld op “BPM”, kunt u het tempo controleren door te kijken of de CHECK-indicator knippert of door de BPM-parameter te controleren.

BPM

40–250

U kunt het tempo alleen aanpassen als “BPM” is geselecteerd voor RATE.

  • Als de tempogegevens worden ontvangen via de MIDI IN-aansluiting, kunt u het tempo niet aanpassen met de PX-1.

DEPTH

0–100

Regelt de diepte van de phaser.

2

CTL1 TARGET

OFF, RATE, DEPTH, TAP

Selecteert de parameter die moet worden bediend met een voetschakelaar die is aangesloten op CTL1.

  • Als de tempogegevens worden ontvangen via de MIDI IN-aansluiting, kunt u het tempo niet aanpassen met de tikbewerkingen.

CTL1 MODE

MOMENT, TOGGLE

Selecteert de bedieningsmodus voor de voetschakelaar die is aangesloten op CTL1.

  • Dit wordt niet weergegeven als CTL1 TARGET is ingesteld op “TAP”.

CTL1 VALUE

0–100

Stelt de waarde in voor de parameter die wordt bediend met een voetschakelaar die is aangesloten op CTL1.

  • Dit wordt niet weergegeven als CTL1 TARGET is ingesteld op “TAP”.

3

CTL2 TARGET

OFF, RATE, DEPTH, TAP

Selecteert de parameter die moet worden bediend met een voetschakelaar die is aangesloten op CTL2.

  • Tikbewerkingen zijn uitgeschakeld als er een externe MIDI-invoer is.

CTL2 MODE

MOMENT, TOGGLE

Selecteert de bedieningsmodus voor de voetschakelaar die is aangesloten op CTL2.

  • Dit wordt niet weergegeven als CTL2 TARGET is ingesteld op “TAP”.

CTL2 VALUE

0–100

Selecteert de waarde voor de parameter die wordt bediend met een voetschakelaar die is aangesloten op CTL2.

  • Dit wordt niet weergegeven als CTL2 TARGET is ingesteld op “TAP”.

4

EXP TARGET

OFF, RATE, DEPTH

Selecteert de parameter die wordt bediend door een extern expressiepedaal dat is aangesloten op de EXP-aansluiting.

EXP MIN

0–100

Stelt de minimumwaarde in voor de parameter die wordt bediend door een expressiepedaal dat is aangesloten op de EXP-aansluiting.

EXP MAX

0–100

Stelt de maximumwaarde in voor de parameter die wordt bediend door een expressiepedaal dat is aangesloten op de EXP-aansluiting.

5

PEDAL MODE

MOMENT, TOGGLE

Selecteert de bedieningsmodus voor de pedaalschakelaar op de PX-1.

  • Als TOGGLE is geselecteerd, kunt u de pedaalschakelaar lang indrukken om invoer met tikken mogelijk te maken.

ACTION

OFF Ó ON, ON Ó OFF

Stelt in hoe de pedaalschakelaar op dit apparaat werkt als PEDAL MODE is ingesteld op “MOMENT”.